BERT SMIJT MET STOELEN
Myrte en de demonen

door Hans Schoots
Na de Tweede Wereldoorlog en jaren van dagelijkse strijd om de eindjes aan elkaar te knopen, volgde eind jaren veertig voor Bert Haanstra en zijn echtgenote Nita een haast onwerkelijke periode. Een tijd die sprookjesachtig moest worden, maar soms meer weg had van een nachtmerrie.

Foto: Paul Bruno Schreiber (r) en Bert Haanstra in Londen voor de afwerking van Myrte en de demonen (ca. 1948) >

Tijdens de oorlog was Bert Haanstra in contact gekomen met Paul Bruno Schreiber, die in de jaren dertig vanuit Hitler-Duitsland naar Amsterdam was gevlucht. Om te voorkomen dat hij alsnog voor Duitse militaire dienst werd opgeroepen, zat Schreiber in de bezettingsjaren ondergedoken, onder meer op een zolder boven café De Beursbengel aan het Damrak. Haanstra voorzag hem via zijn connecties in het verzet van levensmiddelen en op die zolder voerden ze enthousiaste gesprekken over film. De Duitse vluchteling had een defecte 35mm-projector op zijn kamer staan, waar ze liefdevol de blik op richtten. Voordat de in 1899 geboren Schreiber (Haanstra was van 1916) naar Nederland kwam was hij directeur annex decorschilder van een theatertje in Dresden geweest. Hij had een opleiding als kunstschilder gevolgd en maakte werk dat een etherische sfeer ademde. Schreiber was iemand vol grootse plannen. Zo had hij al voor de oorlog de Europese Kunst Unie in het leven geroepen en zichzelf tot directeur daarvan benoemd. De EKU, voor internationaal gebruik ook alvast European Art Union genoemd, was niet meer dan een naam, maar Schreiber repte van de oprichting van filmstudio's in Zuid-Frankrijk, boekuitgaven, een eigen op te richten symfonieorkest, een balletgroep, wat al niet.

Hij had niet alleen fantasie, hij bezat ook een grote overredingskracht. In de oorlog had hij al met Haanstra gesproken over een film die hij zou gaan maken en gezegd dat Bert daar het camerawerk voor moest doen, en zo geschiedde. Schreiber had nog nooit een film gemaakt, maar na de bevrijding ging hij met succes op zoek naar financiering. Er worden verschillende namen van vermogende steunverleners genoemd. De heer F.J.A.T.M. Vos de Wael, burgemeester van Ossendrecht en telg uit een oud Overijssels geslacht, zou hem een half miljoen gulden hebben geleend, een bedrag waar menig ervaren regisseur toen alleen maar van kon dromen. Ook een welvarende mevrouw met de naam Hasselman stelde aanzienlijke bedragen beschikbaar. Toen de productie eenmaal was begonnen, ontving Haanstra zijn salaris zelfs rechtstreeks van haar. Vermoedelijk was mevrouw Hasselman een volgelinge van het in kleine kring bewonderde Haagse medium Jozef Rulof, die op zijn beurt een soort geestelijk beschermer van het filmproject werd. Het Haagse fenomeen, een voormalig taxichauffeur, adverteerde als magnetiseur bij wie men op consult kon komen voor ‘genezing, psychometrie en clairvoyance'. Rulof kon ‘tijdens de slaap zijn lichaam verlaten, door middel van “psychische-trance”, een vorm van trance die op Aarde zelden voorkomt'. Over andere planeten werden geen uitspraken gedaan. Hij hield bijeenkomsten bij theosofische en spiritistische verenigingen en schreef een aantal boeken die bij elkaar vele duizenden pagina's besloegen en door zijn getrouwen werden verslonden. Deze boeken waren volgens Rulof eigenlijk niet door hemzelf geschreven, de inhoud ervan was hem ingefluisterd door auteurs aan gene zijde. Hij was verder een technisch niet onverdienstelijke schilder van werk met een mystieke inslag, maar ook dat kwam vanuit het hiernamaals tot hem tijdens publieke seances, zodat het eigenlijk geen verdienste was. Na de oorlog was hij ook oprichter van het genootschap De eeuw van Christus.

De katholiek opgevoede Schreiber was een bewonderaar van Rulof. Hij vertelde de medewerkers aan zijn film dat er later een krant, boeken, filmjournaals en dergelijke zouden komen, ‘alles in het licht van Rulof'. Naast particulieren droegen het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW) en de Bioscoopbond financieel bij aan Schreibers project, wat eigenlijk alleen maar kan worden verklaard uit wanhoop: er gebeurde op speelfilmgebied zo weinig dat men bereid was zelfs iemand zonder enige filmachtergrond te steunen.

De film waar het allemaal om ging kreeg de titel Myrte en de demonen en was gebaseerd op een door Schreiber geschreven en uitgegeven sprookjesboek met die naam. Ook de inhoud van Rulofs bijna duizend pagina's tellende Maskers en menschen , mediamiek aan hem doorgegeven door de overleden schrijver Frederik van Eeden, lijkt invloed te hebben gehad. In dit boek verschuilen demonen zich achter maskers.

Bert Haanstra werd meer dan cameraman. Hij was na Schreiber onmiskenbaar de nummer twee en kwam ook als associate producer in de credits te staan. Gezien zijn minimale camera-ervaring leek het hem wel raadzaam er nog iemand bij te halen, zodat hij fotograaf Dick de Herder, later bekend als Dirk de Herder, vroeg zijn camera-assistent te worden. Die wist ook weinig van filmen, maar de gedachte moet zijn geweest: twee weten meer dan één. Ze hadden elkaar in december 1946 leren kennen op de Kerstsalon van de Amsterdamse Amateur Fotografen Vereniging, een expositie in de kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae waaraan prominente professionals meededen. De Herder en de befaamde Henri Berssenbrugge deelden er de eerste prijs, Haanstra werd derde. Voor zover bekend fotografeerde hij tegen die tijd nauwelijks meer, maar elke cent was meegenomen. De positie van eersteprijswinnaar De Herder was trouwens al net zo beroerd. Hij trok de stad in met zijn fotoboek Amsterdam-Amsterdam en wist er dan op een goede dag vier van te verkopen.

Schreiber wist zoveel geld te organiseren dat hij ter opluistering van zijn filmproductie voor meer dan twee jaar zijn intrek kon nemen in Huis te Manpad, een groot zeventiende-eeuws landgoed bij Heemstede. De schrijver Jacob van Lennep had er nog gewoond en Staring en Potgieter hadden lofzangen geschreven op het fraaie buiten. Begin 1947 hadden Schreiber, zijn vrouw Ida en hun achtjarige dochter Polly zich er met een huisknecht, een dienstmeisje en een werkster geïnstalleerd. Bert en Nita Haanstra zegden hun huis in Amsterdam op en betrokken een groot deel van de eerste verdieping, rianter dan ze kort daarvoor nog voor mogelijk hadden gehouden. Ook een aantal andere medewerkers woonde permanent of semi-permament op het Manpad, zoals De Herder, die er tien maanden vrijwel ononderbroken verbleef terwijl zijn vrouw en kinderen in Amsterdam zaten. Over zijn aankomst op het Manpad schreef De Herder op 7 februari 1947 in zijn dagboek: 'Vandaag mijn aanstelling als assistent cameraman bij de “European Art Union”. […] Leuke ontvangst. Bert in z'n kamerjas en Nita in een originele ochtendjapon, gemaakt van een beddentijk, waarin ze op Jacoba van Beieren leek. Bert vertelde over een belangrijke conferentie met filmdirecteuren en Nita verklapte dat hij een pilletje genomen had. Dit had ik ook zelf eigenlijk moeten doen, want doodzenuwachtig kwam ik op het matje van Paul Schreiber, een prettige intellectuele persoonlijkheid.' Wat de beddentijk betreft: er was zo kort na de oorlog nog altijd een groot tekort aan kleding en stoffen, zeker voor armoedzaaiers als de Haanstra's.

Haanstra en De Herder realiseerden zich maar al te goed dat ze geen van beiden noemenswaardige filmervaring hadden en voor een vrijwel onmetelijke taak stonden, want Myrte en de demonen moest een avondvullende bioscoopfilm worden. Dat regisseur Schreiber zelf ook van niets wist, maakte de zaak er niet beter op. Het beste dat hij kon bedenken was Haanstra ter lering Der praktische Kameramann van de Duitse filmpionier Guido Seeber cadeau te geven. Helaas was dit boek al van 1927 en behoorlijk verouderd. Er bleef dus reden te over voor zenuwen en tijdens de eerste draaidagen liep Haanstra weer met kalmeringstabletten op zak.

Myrte en de demonen werd een sprookje met in de hoofdrol Schreibers blonde dochtertje Polly als Myrte. Andere rollen werden gespeeld door beroepsacteurs en wat amateurs. De koning der demonen met zijn eigenaardige aardappelhoofd was een groenteboer van de Albert Cuypmarkt, die in de film vooral heel erg veelbetekenend om zich heen kijkt. Myrte komt in een bos terecht tussen boze geesten die haar en haar huisdieren kwaad willen doen. Overdag zijn deze demonen vreemde creaturen – uitgebeeld met poppen en maskers – 's nachts krijgen ze een menselijke gedaante. Door haar goedheid en met hulp van een brandende kaars, enkele dwergen, een bosgeest en de maan weet Myrte de boosaardigheid te bedwingen. Een nachtelijk feest vindt plaats en bij dageraad is alle gevaar voorbij. Veel van de opnamen werden 's avonds en 's nachts bij kunstlicht gemaakt, wat toen een kostbare aangelegenheid was. Voor extra kilowatts moest tijdens de schaarste van de naoorlogse jaren zelfs een speciale vergunning worden aangevraagd.

Na de nachtopnamen stond het gezelschap ver in de middag op, waarna Haanstra en De Herder vaak meteen met De Herders dkw -motorfiets naar het laboratorium van Multifilm in Haarlem vertrokken om er het laatste ontwikkelde filmmateriaal te gaan bekijken. Deze methode is Haansta later waar mogelijk trouw gebleven: hij liet de belichte film zo snel mogelijk na de opnamen ontwikkelen, waarna hij of een medewerker die onmiddellijk weer ophaalde om de volgende opnamen erop te kunnen afstemmen. Vroeg in een productie was hij zo vaak al met de montage bezig. Stap voor stap en tastend werkte hij vooruit, net zoals hij zich het hele filmvak op de tast eigen heeft gemaakt.

Regisseur en producent Schreiber was zo zeker van zijn zaak dat hij al tijdens de opnamen geregeld verklaarde: 'Das wird ein Welterfolg.' Hij moet een charismatische figuur zijn geweest, want Haanstra keek enorm tegen hem op en het is niet uitgesloten dat hij Schreiber ook op zijn zweverige wegen volgde. In een brief die hij bijna veertig jaar later schreef aan de biograaf van Rulof, tevens voormalig hoofdredacteur van Rulofs tijdschrift Evolutie, is sprake van 'de tijd dat we beiden Jozef Rulof volgden'. Waarbij 'volgden' helaas in het midden laat of Haanstra een volgeling was geworden of alleen Rulofs verrichtingen volgde. Dat hij zich hoe dan ook sterk betrokken voelde bij Myrte en de demonen is geen wonder: het was een kans uit duizenden. Ineens maakte hij deel uit van de filmwereld en vergaderde hij met directeuren van de Bioscoopbond en ambtenaren van het ministerie van OKW. Camera-assistent De Herder observeerde in zijn dagboek dat het meer een film werd van Paul en Bert dan van hemzelf. Maar na verloop van tijd begon ook Haanstra zich af te vragen of Schreibers grootse verwachtingen wel gerechtvaardigd waren. Tijdens de afwerking van de film in Engeland schreef hij Nita: 'Ik heb zo dikwijls een heel zwaar hoofd in de zaak.'

De ploeg die het Huis te Manpad bewoonde, moest tot een echte artistieke gemeenschap uitgroeien. Schreiber lijkt zich wat dit betreft te hebben gespiegeld aan de kunstenaarsgemeenschappen die sinds de negentiende eeuw her en der in Europa waren ontstaan. De bekendste kolonie in Duitsland bestond nog in de jaren dertig van de twintigste eeuw in het dorp Worpswede. Maar op het Manpad was de harmonie algauw ver te zoeken, iedereen roddelde over iedereen, de verwijten gingen over en weer en er waren heftige ruzies. De crewleden waren verontwaardigd over het in hun ogen bazige gedrag en de geldsmijterij van Schreibers echtgenote Ida, die afkomstig was uit de Amsterdamse Jordaan. 'Het schijnt geen goede invloed te hebben als iemand van niets af meteen directeursvrouw wordt,' noteerde De Herder. Haanstra en anderen ergerden zich aan de chaotische en tergend trage werkwijze van Schreiber, die rustig in bed bleef liggen wanneer hij op de set werd verwacht, of de opnamen ophield vanwege een of andere gril. De Herder in zijn dagboek: 'Vrijdag 5 september : Eén uur op. Prachtig weer. Vandaag buitenopnamen. Paul ligt nog in bed. Bert een zenuwuitbarsting. Smijt met stoelen, schreeuwt. Wij hem gekalmeerd. Bert het park in om bij te komen. Het begin van het einde.'

Het einde was nog lang niet in zicht. Een jaar later woonden de Haanstra's nog steeds op het Manpad. Het is opvallend hoe vaak De Herder het in zijn dagboek heeft over Berts zenuwaanvallen en overspanning. De bijna onuitvoerbare opgave, de manier van werken en de atmosfeer waren hem duidelijk te veel, en toen zijn camera-assistent een keer zei dat hij er genoeg van had en zijn koffer ging pakken, klaagde Haanstra: 'Ik kan zulke dingen niet verdragen.' Ook latere films gingen voor de publiekelijk zo kalm ogende Bert Haanstra vaak met veel spanningen gepaard. Tijdens grotere producties kwam er vroeg of laat een crisis van knagende twijfel en onzekerheid. In de jaren tachtig noemde hij zich ‘iemand met een grote wisselvalligheid in stemmingen. Ik heb nooit overgelopen van zelfvertrouwen. Dat ik toch al die films heb gemaakt komt vooral door de bezetenheid om een zo goed mogelijk resultaat te bereiken, niét door het besef dat ik het zo goed kan.'

Op 14 mei 1948 werd Myrte en de demonen in Den Haag aan de pers vertoond in een eerste voorlopige montage, zonder geluid maar met live-orkest. De voorstelling was volgens het katholieke dagblad De Tijd 'erbarmelijk'. De reacties deden het ergste vrezen voor de verdere toekomst van Myrte, al konden de makers zich na Den Haag nog troosten met de gedachte dat veel montage en het geluid en de muziek nog moesten worden gedaan. Voor dit werk had Schreiber een van de mooiste studio's van Groot-Brittannië uitgezocht, J. Arthur Rank's Denham Studio's ten westen van Londen. Denham was voor Europese begrippen een gigantisch complex, dat naast een reeks kantoren, laboratoria en montage- en geluidsstudio's bestond uit een rij grote studiohallen voor binnenopnamen. Kort daarvoor was David Leans Brief Encounter er gedraaid en grote Amerikaanse producenten als Walt Disney en 20th Century Fox maakten er gebruik van.

Bert Haanstra verbleef meer dan een halfjaar met de Schreibers in Engeland. Hij logeerde in een goedkope kamer boven de pub The Swan and Bottle in Uxbridge, vlakbij de studio maar zo'n 25 kilometer verwijderd van het centrum van Londen. Daar zaten de Schreibers in een vijfsterrenhotel. De stad aan de Theems was er door de oorlog nog heel wat slechter aan toe dan Amsterdam. Duitse bommenwerpers hadden er dood en verderf gezaaid en in het laatste oorlogsjaar waren daar nog aanvallen met vliegende bommen en raketten bij gekomen. Een derde van de totale woningvoorraad was beschadigd of vernietigd. Toen Haanstra en de Schreibers er waren lagen nog overal huizen en gebouwen in puin en het eten was op de bon. Niet uit het veld te slaan organiseerden de Britten dat jaar in Londen de Olympische Spelen, al moesten de atleten worden ondergebracht in legerbarakken en scholen.

Intussen was Nita in verwachting en de aanstaande ouders correspondeerden vrijwel dagelijks tussen Uxbridge en Huis te Manpad. Voor de geboorte van hun zoon Rimko op 16 oktober 1948 – de bevalling vond plaats in een Haarlems ziekenhuis – kwam Haanstra een paar dagen over naar Nederland.

De Denham Studios waren voor Bert Haanstra een unieke leerschool. Er werd gewerkt op het hoogste professionele niveau en op elk denkbaar gebied liepen er vakmensen rond van wie hij veel kon opsteken, dus ging hij er ook heen wanneer er geen werk aan Myrte te doen was. 'Alles wat ik hoorde schreef ik op, wat ik zag tekende ik uit.' De hele entourage – in de kantine zaten internationaal beroemde sterren aan de thee – droeg weer bij aan zijn gevoel eindelijk te zijn aangekomen in de grote filmwereld waar hij als jongen van had gedroomd.

In de laatste maanden van 1948 werd in Denham een voorlopige versie van Myrte en de demonen aan diverse kenners getoond. Arthur Rank zelf zou oorspronkelijk ook komen kijken, maar stuurde een vertegenwoordiger. Toevallig was ook de Nederlandse surrealist, fotograaf en filmer Emiel van Moerkerken aanwezig. Van Moerkerken was voor de oorlog al gefascineerd geraakt door het Franse surrealisme van André Breton en de zijnen. 'Ik was vreselijk benieuwd naar zijn oordeel,' schreef Haanstra sceptisch aan Nita, 'daar hij één van de bevooroordeelde lieden is uit Hollandse filmkringen.' Van Moerkerken prees het camerawerk, maar hoewel hij als surrealist zeker niet afkerig stond tegenover het ongewone, kon zelfs hij het merkwaardige verhaal niet waarderen, al vond hij het geheel 'sympathieker dan de meeste tot nu toe gemaakte Nederlandse films'. Voor wie wist dat er sinds het begin van de oorlog nauwelijks speelfilms in Nederland waren vervaardigd, afgezien van wat Duitse producties, was dat gemakkelijk gezegd. Ondanks vriendelijke woorden, ook van Britse kant, bespeurde Haanstra bij niemand echt enthousiasme. Een steeds terugkerende klacht was dat de film te traag was, waarna de makers besloten hem aan te passen. Bij het werk hieraan was ook de niet door filmkennis gehinderde Ida Schreiber aanwezig, die vond dat ze nog lang niet rigoureus genoeg te werk gingen. Ze had gelijk, want ook de eindversie heeft de vaart van een slak.

Bij het opnemen van de filmmuziek voor Myrte liet Haanstra nog een sterk staaltje zien, dat wel voortkwam uit onervarenheid, maar op de professionals van de Denham Studios grote indruk maakte. De muziek werd uitgevoerd door het London Symphony Orchestra, ook weer een kostbaar idee van Schreiber. Omdat hij noch Haanstra ooit van mixage had gehoord, werden grote delen van de score in één keer gespeeld, inclusief koren en soli, en tijdens de uitvoering rechtstreeks op het geluidsspoor van de film gezet. Een uiterst riskante methode, die alleen slaagde omdat Haanstra de hele montage uit zijn hoofd kende en hij de dirigent daardoor tijdens de uitvoering aanwijzingen kon geven.

Schreiber verwachtte nog altijd met Myrte de wereld te zullen veroveren, te beginnen met een uitbreng in Groot-Brittannië. Maar voor zover bekend heeft Myrte de bioscoop er niet bereikt, afgezien van een rampzalig verlopen sneak preview in een volksbioscoop in het Londense West-End. Het toch al niet erg heldere verhaal werd voor het publiek onbegrijpelijk doordat de operateur een paar aktes verwisselde. Toeschouwers liepen al tijdens de voortelling naar de kassa om met veel misbaar hun geld terug te eisen. Zelfs tot het goed georganiseerde Britse kinderfilmcircuit, dat een grote stroom films verwerkte, drong Myrte niet door. De film werd voor jeugdige kijkers zelfs te eng gevonden, hoewel dit ook een smoes kan zijn geweest om ervan af te komen.

Intussen verslechterden Bert Haanstra's betrekkingen met de Schreibers. Hij voelde zich steeds meer misbruikt, maar kon zich toch niet van regisseur en film losmaken. In zijn brieven naar huis schreef hij dat hij het niet meer uithield en het haatte een avond met de Schreibers te moeten doorbrengen. Op Huis te Manpad hakte Nita uiteindelijk een knoop door: in december 1948 vertrok ze met baby Rimko naar haar moeder in Amsterdam. Daar bracht ook Haanstra de kerstdagen door, waarna ze naar de grootouders in Goor vertrokken voor oud en nieuw. Nita schreef Schreiber dat Bert niet meer kon komen en van de dokter rust moest houden. Hij bleef een maand thuis wegens overspanning. De meubels werden bij het Manpad opgehaald, maar een definitieve breuk was het nog steeds niet: even later ging Haanstra alsnog terug naar Engeland om de laatste hand aan Myrte en de demonen te leggen. In het vroege voorjaar van 1949 was de film klaar.

Lang daarna, op 17 maart 1950, vond de officiële Nederlandse première plaats in de Cultura-bioscoop in de Amsterdamse Tolstraat, het latere Cinetol. Bert Haanstra had zodanig sombere voorgevoelens dat hij de voorstelling niet durfde bijwonen. Hij had toen al goede contacten met Piet van Moock, lid van de Cultura-directie, anders had Myrte de Nederlandse bioscoop misschien helemaal niet bereikt. Nu draaide hij een week in Cultura, kwam hij daarna nog even in Van Moocks andere Amsterdamse theater De Uitkijk en was er een lokale première in Heemstede. De vaderlandse pers was vrijwel unaniem negatief: 'Men ontdekt weer eens dat halfzachtheid haar identiteit bijzonder duidelijk verraadt als men haar verfilmt', 'een zekere geestelijke seniliteit', 'Alleen voor de zeer kinderlijken', 'ziekelijk welbehagen in morbide weekheid'. Het Algemeen Dagblad was een uitzondering met de kwalificatie 'bescheiden sympathieke Nederlandse film'. Vermoedelijk hadden maar weinig critici zin zich in te houden met hun commentaar op een gebrekkige film die zo ontzettend veel geld van goedwillende mensen had gekost en al tijdens de productie in volle ernst als meesterwerk was aangekondigd.

Ook een meer welwillend dan lovend artikel dat eerder in het Britse blad Sight and Sound had gestaan, met een paginagrote still uit de film op de omslag, hielp niet. Voor dit stuk had Haanstra zich speciaal ingespannen. Hij had gesproken met de auteur ervan, Roger Manvell, de directeur van het British Film Institute, en schreef aan Nita: 'Als daar wat over [de] fotografie in komt zal me dat ook zéér goed doen.' Inderdaad werden de originaliteit van de film en de 'uitstekende fotografie' geprezen. Het camerawerk werd door meer critici gewaardeerd, en al werd dit nauwelijks toegelicht, voor de beginnelingen Haanstra en De Herder was het een opsteker. De rampspoed was toch al groot genoeg: de film bleef te traag, vertelde een obscuur verhaal en ontbeerde een effectieve dramatische opbouw.

Hoe teleurstellend het eindresultaat van twee jaar werk aan Myrte en de demonen ook was, voor Haanstra is de film van doorslaggevende betekenis geweest. Hij doorliep er een harde praktische leerschool mee, met het camera- en organisatiewerk aan het Manpad, de ervaringen bij het laboratorium van Multifilm en vooral de afwerking en de vele indrukken op elk gebied in de Denham Studios. Het camerawerk werd gewaardeerd en ook op andere manieren had hij zich kunnen presenteren in de filmwereld. De veelvuldige bezoeken die hij met Dirk de Herder aan Multifilm bracht, dat naast een laboratorium ook een prominent productiebedrijf voor documentairefilms was, zullen daar niet onopgemerkt zijn gebleven en medewerkers van nieuwsfilmbedrijf Polygoon kwamen op het Manpad langs om de werkzaamheden in ogenschouw te nemen.

Mevrouw Hasselman en de heer Vos de Wael zagen het geld dat ze investeerden niet terug, wat de laatste blijkbaar niet deerde, want Schreiber verhuisde met zijn financiële hulp naar het kleine maar mooie buiten Huis Bonenburg in Heerde. Films maakte hij niet meer, wel maakte hij een tijdje later bekend een methode te hebben uitgevonden waarmee, tegen verwaarloosbare kosten en zonder 3D-bril, driedimensionaal films konden worden vertoond. Ook ontwikkelde hij een machine voor het omzetten van zwart-witfilm in kleur, waarover na aankondigingen in de pers niets meer is vernomen. In de jaren zestig vestigde hij zich weer in Duitsland, waar hij in 1981 overleed.

BRONNEN

(pfh=In privebezit van de familie Haanstra)
(bha=Bert Haanstra Archief bij Eye Filmmuseum, Amsterdam)

Een aantal van Schreibers schilderijen bevindt zich bij diens dochter in het Duitse Möhren. Schreiber zou volgens sommige bronnen lid zijn geweest van de Berlijnse Akademie der Künste, maar in de archieven van de Akademie komt zijn naam niet voor. Mogelijk was hij wel lid van de Akademie in Dresden, maar daarvan is de documentatie slechts ten dele bewaard gebleven.

Mededelingen Familie Van Klaveren-Schreiber, Möhren (Duitsland) aan de auteur, 23 juli 2005.

Over F.J.A.T.M. Vos de Wael: mededeling familie Van Klaveren-Schreiber, Möhren, 23 juli 2005. Over mevrouw Hasselman: correspondentie tussen Nita en Bert Haanstra, z.d. [najaar 1948-begin 1949]. pfh.

Het Vaderland, 24 oktober 1931. Zie ook enkele van de websites die nog altijd aan Rulof (1898-1952) zijn gewijd: www.wayti.com en www.jeus.info

Dirk de Herder, dagboek 23 oktober 1947. Aanwezig bij Louky van den Brink, Den Haag.

Jozef Rulof, Maskers en menschen. Den Haag 1948.

Welke foto Bert Haanstra had ingestuurd, was noch in het bha noch in het archief van de Amsterdamse Amateur Fotografen Vereniging (Stadsarchief Amsterdam) te achterhalen.

Dirk de Herder, dagboek 7 februari 1947.

Guido Seeber, Der praktische Kameramann. Berlijn 1927.

Hans Pars, 'Myrte in Wonderland', gesprek met Dirk de Herder in Cinematheekkrant (Haags Filmhuis), mei 1998.

Bert Haanstra, Gegevens voor een biografie door Jo Daems. bha 244-2.

Dit alles blijkt uit het dagboek van Dirk de Herder.

BH aan Leo Uittenbogaard, 22 januari 1985. bha 131.

BH aan Nita Haanstra, z.d. [eind 1948-begin 1949]. pfh.

Dirk de Herder, dagboek 29 augustus 1947.

Dirk de Herder, dagboek 5 september 1947.

Dirk de Herder, dagboek 21 oktober 1947.

Vrij Nederland, 20 juni 1981.

De Tijd, 18 maart 1950.

Nita Haanstra aan BH, 7 maart 1949. pfh.

Bert Haanstra, Zonder opleiding doe je jezelf tekort, z.d. [conceptartikel, geschreven rond eind jaren zestig]. bha 20-10.

BH aan Nita Haanstra, z.d. [najaar 1948]. pfh.

BH aan Nita Haanstra, z.d. [1948-1949]. pfh.

Wim van der Velde in interview met de auteur, 6 oktober 2005. Van der Velde en Haanstra waren in Engeland voor de montage van een bloembollendocumentaire en waren samen bij deze Myrte-voorstelling aanwezig.

Roger Manvell, 'Myrte and the Demons. An Anglo-Dutch Production', Sight and Sound , zomer 1949.

Notitie Nita Haanstra uit de jaren negentig. Nita Haanstra aan BH, 7 maart 1949. Beide: pfh.

Bert Haanstra, Gegevens voor biografie door Jo Daems. bha 244-2.

Achtereenvolgens geciteerd uit: Het Parool, 18 maart 1950, de Volkskrant, 18 maart 1950, Nieuwe Rotterdamse Courant, 18 maart 1950, De Tijd, 18 maart 1950, en Algemeen Dagblad 18 maart 1950.

Manvell, 'Myrte and the Demons. An Anglo-Dutch Production'. BH aan Nita Haanstra, z.d. [begin 1949]. pfh.

Eddy van der Enden in interview met de auteur, 15 november 2005.

Mededeling Familie Van Klaveren-Schreiber, Möhren, 23 juli 2005.

Vrij Nederland, 23 mei 1953.


Dit artikel is een fragment uit het boek Bert Haanstra - Filmer van Nederland door Hans Schoots.